www.wondverzorging.nl

Switch to desktop Register Login

De waarheid over zilver

zilververband -459430250

De waarheid over zilver

Waarom is er een hernieuwde interesse in zilver?

Dr. van Putten

Clinici zijn geboeid door zilverproducten omdat ze geïnteresseerd zijn in het controleren van de bacteriële omgeving. Mensen in het algemeen en wondverzorgers in het bijzonder voeren een continue strijd tegen bacteriën. Het begrip 'bioburden' of microbiologische aanwezigheid in een wond is niet uitsluitend te bekijken als de aanwezigheid van de bacteriële cellen, maar ook het effect van de chemische stoffen ( toxines) die geproduceerd worden door de bacteriën in de wonde. Er wordt momenteel binnen wondmanagement zeer veel aandacht besteed aan het begrip bioburden.

Bacteriën produceren en scheiden een reeks van verschillende enzymen en toxines af in de wond. Deze kunnen het genezingsproces sterk verstoren en zelfs ernstig interfereren met de biochemische balans van de lokale wondomgeving. (1, 2) De vernieuwde interesse voor zilver moet dan ook gezien worden in het licht van de terechte schrik voor deze wondhelingsverstorende effecten veroorzaakt door bacteriën. Vooral bij nieuwere en peperdure wondzorg therapieën zoals het topicaal gebruik van groeifactoren en "bioengineerde" weefsels kunnen bacteriën veel roet in het eten gooien.

Om bacteriën in een wond te bestrijden zijn er echter diverse methodes beschikbaar. Zo kan men het aantal bacteriën fysiek beperken door bijvoorbeeld de toegang van de bacteriën tot de wonde te beperken. Het chirurgisch verwijderen van necrotisch weefsel is de snelste manier om het aantal bacteriën in een wonde te reduceren. Doordat bacteriën zich vooral in dood weefsel thuis voelen  en zich daar vermenigvuldigen, is het snel verwijderen van dit dood weefsel dubbel goed. Er zijn talrijke verbanden op de markt die de wonde afsluiten van de omgeving, ze verhinderen bacteriën om de wond binnen te dringen en vormen dus een doeltreffende barrière. (3) Alleen al het gebruik van een dergelijk verband in vergelijking met het gebruik van gaasverbanden kan de kans op infectie drastisch laten afnemen. 4 5 Het debrideren en het gebruik van barrière verbanden alleen maakt de wonden niet vrij van bacteriën, maar dit volstaat meestal wel bij de meeste wonden. Samen met deze fysieke methodes gebruiken clinici ook chemische methodes (vgl. chemische oorlogsvoering) tegen de bacteriën. Deze chemische agentia behelzen topicale antibiotica en topicale antiseptica. Systemische antibiotica worden gebruikt om de patiënt te behandelen of te beschermen tegen een systemische bacteriële infectie, maar het is reeds vastgesteld dat de systemische antibiotica zelden in voldoende concentratie voor komen in het granulatie weefsel van chronische wonden om de oppervlakkig prolifererende bacteriën onder controle te houden of te krijgen. 6 Het is daarom aangewezen om samen met de systemische antibiotica een lokale antiseptische therapie toe te passen.

Topicale antibiotica

Topicale antibiotica worden reeds jaren gebruikt in wondverzorging omdat ze selectief cytotoxisch zijn, nl. ze vallen uitsluitend vreemde cellen, m.a.w. bacteriën aan in de wonde en laten de lichaamscellen ongemoeid. Deze selectieve cytotoxiciteit komt omdat ze een selectief actiemechanisme gebruiken, nl. het antibioticum bindt zich via chemische wijze op bepaalde plaatsen die uitsluitend voorkomen op de wand van bacteriën en niet terug te vinden zijn op de celwand van menselijke cellen. Topicale antibiotica hebben echter ook enkele nadelen. De meeste hebben een eerder smal werkingsspectrum (dit betekent dat slechts een beperkt aantal bacteriën eraan gevoelig zijn) en in een chronische wondomgeving vindt men een meestal wijde variatie aan diverse bacteriën terug.(polymicrobieel). 7 Er zijn meestal twee of meerdere topicale antibiotica nodig om de diverse bacteriën in een chronische wonde te bestrijden. De gebruiksvormen waarin topicale antibiotica worden aangeboden (zalven, crèmes, vloeibare vorm, …) zijn niet geschikt om andere functies van wondmanagement op zich te nemen. Zo kan eronder meer geen extra wondvocht afgevoerd of geabsorbeerd worden. Maar het belangrijkste probleem met topicale antibiotica is ongetwijfeld de wereldwijde resistentie die ze veroorzaken door verkeerd en overmatig gebruik.     

Topicale antiseptica

De andere categorie van chemische agentia zijn de topicale antiseptica. De voordelen van topicale antiseptica zijn dat ze een veel breder werkingsgebied hebben. Topicale antiseptica zijn nog niet zo sterk geassocieerd met bacteriële resistentie ondanks hun sterk verspreide en reeds langdurig gebruik. Desondanks zijn veel clinici niet zo gelukkig met zowel de breed spectrum werking als met de niet selectieve cytotoxiciteit  van de antiseptica. Antiseptica maken immers geen onderscheid tussen de bacteriën en tussen de lichaamseigen cellen en kunnen daardoor schade aanbrengen aan de cellen die precies de wond moeten genezen. Wanneer men gaat kijken naar de 'in vitro' data van het effect van antiseptica op lichaamseigen cellen, dan ziet men dat deze cellen het meestal niet overleven. Het moet echter worden opgemerkt dat deze cellen in dergelijke lab omstandigheden geïsoleerd zijn van hun natuurlijke weefsels en daarom waarschijnlijk veel gevoeliger zijn. 8, 9 Het potentiële cytotoxisch effect van antiseptica werd in een in vivo studie getest en toonde aan dat de wondheling niet significant geremd wordt. 10 Deze studie testte vijf veel gebruikte antiseptica versus fysiologisch zoutoplossing in 'partiel thickness' wonden bij varkens. De wonden werden topicaal behandeld met vochtige gaaskompressen en werden iedere 8 uur vervangen. De vijf antiseptica waren; 5% mafenide acetaat, 10% povidone jodium met 1% vrije jodium, 0,25% natriumhypocloride, 3% waterstofperoxide en 0,25% azijnzuur. Omdat de gazen continue bevochtigd werden met de antiseptica werd een mogelijke vertraging in wondheling door een droge omgeving vermeden. Zowel de re-epithelialisatie, angiogenese, neodermale regeneratie, fibroblast proliferatie, de collageen productie als het aantal bacteriën werd geanalyseerd op dag 4 en dag 7 na de verwonding. Vooral op het punt van de re-epithelialisatie (het punt waarop wondheling wordt beoordeeld) had geen enkele van de geteste antiseptica enig negatief effect vergeleken met het fysiologisch zout. Sommige antiseptica hadden zelfs een positief effect op de angiogenese en fibroblast proliferatie. De typische wijze waarop antiseptica worden gebruikt is een kortstondige spoeling of reiniging met gazen al dan niet voortdurend contact via vochtige kompressen die meestal één keer of twee keer per dag vervangen worden. De meeste antiseptica werken echter zeer snel, maar zijn ook snel uitgewerkt (sommige slechts enkele minuten) in het wondbed. 11 In een omgeving van een chronisch wondbed kunnen antiseptica zich gemakkelijk binden aan diverse alternatieve bronnen van eiwitten (bloed, extracellulaire matrix) waardoor er geen bacteriën worden aangevallen. Daarnaast zijn de in antiseptica gedrenkte kompressen meestal een slecht type verband om vochtige wondomgeving te garanderen en vormen ze geen fysische barrière tegen bacteriën van buitenaf. 12 Samenvattend kan men stellen dat zowel topicale antibiotica als antiseptica voor en nadelen kennen. Topicale antibiotica zijn selectief, maar bacteriën worden er snel resistent tegen 13, topicale antiseptica hebben een breder werkingsgebied, maar zijn meestal snel uitgewerkt of komen voor in weinig interessante gebruiksvorm. Er worden wel steeds betere systemen ontwikkeld om antiseptica steeds beter aan te brengen en vrij te zetten (reservoir functie). Zilver is één van de antiseptica waar de industrie er in geslaagd is een beter toedieningsysteem voor  te ontwikkelen. Deze nieuwe applicatievormen zijn zilverzouten, zilvercomplexen of coating systemen met nanokristallijn zilver. Daarbij worden ze ingebed in verbanden die extra vocht kunnen vasthouden zoals hydrocolloiden, hydrofibers, doeken en andere wondverband materialen. Deze verbanden kunnen allen verschillen in de wijze waarop ze zilver bevatten, of vrijgeven. Nu komt het er op aan om precies te weten waar de voor en nadelen zitten van elk van deze zilververbanden.     

De scheikunde van zilver    

In feite bestaat zilver in slechts één vorm namelijk als element. Een element is een unieke vorm waarbij de identiteit uitsluitend is bepaald door het aantal protonen aanwezig in de atomaire kern. Als het aantal protonen in de kern wijzigt, dan verandert ook de identiteit van het element. Zilver heeft 47 protonen in zijn kern en dat is zo in alle vormen van zilver. Maar het zilver atoom, net zoals elk ander atoom, bevat ook andere types van partikels dan de protonen. Atomen bevatten ook neutronen in hun kern en elektronen die in banen rond de kern draaien. 14 Het aantal elektronen wijzigt de lading van het atoom zonder de identiteit van het atoom te wijzigen. Zilver bestaat als neutraal atoom met 47 elektronen en 47 protonen, indien het 46 elektronen en 47 protonen heeft is het positief geladen. 15 De versie van zilver zonder lading wordt metallisch zilver genoemd en wordt meestal afgekort als 'Ag' (0) Dit materiaal wordt gebruikt om juwelen of gebruiksvoorwerpen te maken. Deze versie van het zilveratoom is echter niet antimicrobieel. Positief geladen zilver (welke dus een chemische binding kan aangaan) is wel antibacterieel. Deze vorm van zilver wordt ook ionisch zilver genoemd (zilver kation) en wordt afgekort als Ag+ . Alle op zilver gebaseerde antimicrobiële verbanden, zowel de alginaten , hydrofibers, schuimen, filmen of andere materialen, bekomen hun antibacteriële activiteit door het vrijgeven van het zilver kation. Met andere woorden, alle zilververbanden maken gebruik van hetzelfde actieve ingrediënt, het zilver kation. Het zilver kation 'Ag+' is een sterk antimicrobieel product omdat het zich kan binden aan een bacteriewand en deze dus beschadigen. In feite bindt het zilver zich met de eiwitten (thiol groepen die zwavel en waterstof bevatten) die een functionele rol spelen in de bacteriële cel.16 Eens deze zilver kationen zich gebonden hebben op deze eiwitten wijzigen ze de structuur ervan waardoor de functie van het eiwit voor de bacteriële cel verloren gaat. Wanneer bij voorbeeld de celwand door zilver wordt aangetast dan leidt dit meestal tot het scheuren van de celwand waardoor de bacterie afsterft. Zilver bindt ook enzymen die belangrijk zijn voor de bacterie waardoor deze niet langer normaal kan functioneren of delen. Precies omdat zilver op diverse wijzen inwerkt is de kans op resistentie bijzonder beperkt.

Hoe zilver in een wondverband te krijgen

Zilververbanden kunnen verschillen in de wijze waarop het actieve ingrediënt is ingebouwd in het verband. Dit bepaalt dan opnieuw hoe het zilver kation in de tijd wordt vrijgegeven en/of er al dan niet een reservoir van zilver aanwezig is.  Deze reservoirs kunnen bestaan uit metallisch zilver of uit een zilververbinding (een chemische combinatie van zilver en een ander atoom of molecule). Het pure zilver als metaal is relatief onoplosbaar in de meeste vloeistoffen en het zal Ag+ in kleine hoeveelheden vrijgeven via een oxidatieproces wanneer het in contact komt met vocht. Een veel toegepaste techniek om meer zilver kationen vrij te maken is het contactoppervlak vergroten (het metallisch zilver wordt over een groter oppervlak uitgesmeerd zodat er bij contact met vocht meer oxidatie kan optreden en dus ook meer en sneller Ag+  wordt vrijgegeven). Veel verbanden passen deze methode van metallisch zilver toe en brengen dus het zilver aan over de gehele oppervlakte van het verband zodat, wanneer het in contact komt met een vochtige wonde, het oxidatieproces plaats kan grijpen en het Ag+ kan vrijkomen. Deze techniek wordt expliciet gebruikt bij de zogenaamde nanokristallijne zilver gecoate verbanden. Hier worden bijzonder kleine zilver partikels op polymeren of vezels aangebracht waardoor de oppervlakte vergroting nog beter wordt en er dus meer Ag+ vrijgegeven wordt in een vochtige omgeving. Een andere methode om een reservoir aan zilver kationen te creëren is om het zilver in het verband te brengen als een zilvercomplex of zilververbinding. Deze zilververbinding kan geïncorporeerd worden  in hydrocolloiden, hydrogels of schuimverbanden. Wanneer deze materialen in contact komen met een vochtige omgeving dan geven de zilververbindingen het zilver kation vrij. Afhankelijk van het soort anion (negatief geladen molecuul) waar het Ag+ aan vastzit, splitst het zich in waterig milieu met een verschillende snelheid. Uiteindelijk kan de snelheid waarbij het Ag+ vrij komt verschillen , maar uiteindelijk geven ze allen hetzelfde actieve Ag+ vrij.     

Verschillen in zilververbanden

Alle antimicrobiële zilver verbanden geven hetzelfde actieve ingrediënt af. Maar dit betekent niet dat ze allen even goed werken. Namelijk, het soort verband waarin het zilver verwerkt zit zoals hydrocolloid, alginaat, hydrogel, film,… bepaalt de antimicrobiële activiteit. Ook elementen zoals exsudaatmanagement en de duur dat het verband kan gebruikt worden of zelfs de kostprijs moeten in overweging worden genomen. Zilververbanden verschillen ook in de hoeveelheid zilver die ze bevatten per cm2 of in de hoeveelheid zilver(Ag+) die ze vrijgeven over de tijd. Sommige verbanden bevatten grotere hoeveelheden zilver per oppervlakte eenheid of per volume dan andere en zullen dan ook verschillen geven in de hoeveelheid zilver die ze vrijgeven in de wonde. De vraag is of deze verschillen ook een klinisch verschil geven. Met andere woorden: Is het ene zilververband superieur tegenover het andere in termen van wondheling? Er is momenteel geen sluitend antwoord te geven op deze vraag omdat er tot op vandaag geen literatuur is van een vergelijkende studie in vivo. Wat wel aanwezig is zijn de in vitro vergelijkende laboratoriumtesten. Dus alle veronderstellingen inzake prestaties van zilververbanden zijn gesteund op eerder beperkt 'in vitro' data.

In vitro antibacteriële evaluaties

Er zijn twee types van antibacteriële evaluaties 'in vitro' die meestal uitgevoerd worden om de antibacteriële eigenschappen van zilververbanden te testen. 17 Eén is de zogenaamde 'zone van remming test' (zone of inhibition test), hier wordt een voedingsbodem uniform besmet (geïnoculeerd) met één soort bacterie, vervolgens wordt een vochtig monster van het zilververband in het midden van de plaat geplaatst. De plaat wordt vervolgens geïncubeerd en de bacteriën groeien terwijl de zilver kationen vrijkomen. Als de bacteriën gedood worden door de zilver kationen, is er een duidelijke zone te zien rond het verband waar geen bacteriën groeien. De wetenschappers meten dan hoe groot de zone rond het verband is waar er geen bacteriën meer groeien. De andere veel gebruikte techniek is de log10 reductie van het bacteriën aantal in een oplossing. In deze studie wordt een antibacterieel verband ingebracht in een test tube die een specifieke hoeveelheid van een bepaalde bacterie bevat. De test tube wordt in bewegende baden geplaatst en op vastgestelde tijdstippen worden er stalen uit de test tube genomen. Deze worden dan geanalyseerd op het aantal bacteriën. De snelheid waarmee het aantal bacteriën afneemt in functie van de tijd geeft de antibacteriële activiteit aan. Deze wordt verwoord als in de log reductie in de tijd. Deze beide studie methodes roepen toch enkele belangrijke vragen op. Zijn de bekomen resultaten uit deze 'in vitro' studies overdraagbaar naar de klinische situatie. Is het afdoden van één specifieke bacteriestam in labo omstandigheden te vergelijken met het afdoden van bacteriën in het weefsel van een wonde ?  Meestal bevat een wonde diverse soorten bacteriën en bestaat er een soort ecologisch evenwicht tevens kunnen er 'biofilms' ontstaan die de werking van de antimicrobiologische middelen kunnen beïnvloeden.  In een chronische wonde zijn er meestal zowel Gram-positieve als Gram-negatieve aërobe, anaërobe bacteriën, gisten, schimmels aanwezig die onderling met elkaar communiceren en er alles aan doen om zich in de wonde te handhaven. Naast deze lichaamsvreemde organismen bevat de wonde ook lichaamseigen cellen zoals fibroblasten (jonge bindweefselcel die o.a. collageen maakt) macrofagen en epidermiscellen. In een wonde is er eveneens een grote hoeveelheid aan extracellulaire matrix eiwitten, bloed, serum, diverse anionen (negatief geladen moleculen die zich ook gemakkelijk verbinden met Ag+) en andere chemische stoffen zoals vrije radicalen terug te vinden. Vanuit zowel een biochemisch als cellulair standpunt gezien vormt een in vivo wondomgeving een veel moeilijker omgeving om bacteriën af te doden. De antimicrobiele agentia kunnen diverse doelen bereiken. Dit is afhankelijk van hun werkwijze. Zilver heeft geen specifieke werking met andere woorden het bindt zich gewoon aan alle types eiwitten en deze zijn dus lang alleen niet afkomstig van bacteriën. In Vitro labo resultaten houden daar geen rekening mee en dus bieden ze enkel selectieve informatie. Deze in vitro studies zijn dus vooral waardevol om het effect van het verband in specifieke en selectief geconditioneerde omstandigheden te meten, maar ze kunnen niet gebruikt worden om noch de positieve of noch de negatieve effecten van het verband te meten of te voorspellen op het vlak van de wondheling. 

De hoeveelheid zilver

Is de hoeveelheid zilver in het verband de parameter om het te verkiezen boven een verband dat minder zilver bevat? Is een hogere hoeveelheid zilver een garantie voor een beter klinisch resultaat ? Het is veel belangrijker om te kijken naar de hoeveelheid zilver dat een verband vrijstelt in de wonde. Diverse commercieel te verkrijgen zilver verbanden werden in vitro , onder dezelfde test condities getest. Zo ging men na hoeveel zilver er vrijgezet werd in gesimuleerd wondvocht.

grafiek zilver 1

Uit deze test blijk duidelijk dat er een verschil in zilver vrijgave was (in functie tot een bepaalde tijd). In figuur 1 zijn de resultaten van deze test weergegeven. Maar opnieuw kan men zich de vraag stellen of deze verschillen in vrijgave een klinisch verschil maken in het wondbed. Het klinisch effect van een bepaalde hoeveelheid (dosis) zilver kationen hangt in hoge mate af van de relatieve hoeveelheid micro-organismen in het wondbed. Als het aantal bacteriën laag is, dan worden meer andere cellen aangetast in dit geval de lichaamseigen cellen (fibroblasten, macrofagen, witte bloedcellen, epidermiscellen etc.). Een recente studie bestudeerde het effect van zilver kationen op fibroblasten en epidermiscellen onder verschillende condities. 19 Fibroblasten en epidermiscellen werden getest in een individuele éénlagige (monolayers) cultuur en in een tweelagige veresterde hyaluronzuur matrix van fibroblasten en epitheelcellen die zich konden differentiëren in keratinocyten. Een drie dimensionale structuur van collageen met fibroblasten binnenin werd ook getest. In alle gevallen werden de cellen blootgesteld aan zilvernitraat of aan een nanokristallijn zilver verband (op deze manier wordt het verschil in zilver vrijgave uit diverse reservoir situaties gemeten). Beide zilver vrijgevende systemen waren toxisch voor de cellen ongeacht de situatie. Maar de dosis was wel belangrijk dit afhankelijk van het feit of de cellen bijvoorbeeld in een éénlagige of een drie dimensionale constructie zaten.   Cellen in een éénlagige structuur hadden slechts een zeer kleine dosis zilver kationen nodig om af te sterven. Bij de drie dimensionale structuur waren er meer zilver kationen nodig om het toxisch effect te bekomen. Dit betekent dat die dimensionale structuur een bescherming vormde voor de geteste lichaamscellen. Maar, zelfs de laagste toxische dosis voor deze zoogdier cellen was dezelfde als waarbij bacteriën werden gedood (toxische dosis). Precies omdat epidermale cellen steeds als éénlagige structuren in wonden voorkomen, moeten zilververbanden met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt in epithelialiserende wonden. Tenminste één geval studie steunt deze bewering. Het is dus aangetoond dat het gebruik van zilververbanden in wonden met een lage besmettingsgraad (bioburden) het epithelialisatieproces kan vertragen. Innes e.a. 20 vergeleken het effect van niet antibacteriële schuimverbanden met nano kristallijn zilververbanden in gecontroleerde gelijkgemaakte paren van donor sites. Zij vonden dat de reepithelialisatie significant trager was bij de met zilver behandelde wonden (14,5 +/- 6,7 dagen versus 9,1 +/- 1,6 dagen; p = 0,004). Er werden geen verschillen in bacteriële aantalen gevonden tussen de twee groepen, wat er op wijst dat zilver een uitgestelde heling kan geven.

De snelheid waarmee zilver wordt vrijgegeven in de wond

Is er een correlatie tussen een snellere vrijgave van zilver kationen in een wondomgeving en een snellere wondgenezing ? Wanneer men  de in vitro log reductie data vergelijkt van de diverse zilververbanden dan zien we dat een bepaald verband 99,9% van de bacteriën ( log 3 reductie) doodt in enkele minuten omdat het snel zeer grote hoeveelheden zilver kationen vrijlaat. Andere verbanden geven hun zilver kationen trager vrij, maar bereiken een vergelijkbare log reductie op een later tijdstip. In een in vitro log reductie studie op een kweekbodem besmet met Pseudomonas aeruginosa uitgevoerd met 5 op de markt aanwezige zilververbanden, vertoont één verband reeds een log 3 reductie na 15 minuten, maar na twee uur hebben alle verbanden reeds een log 5 reductie (99,999% reductie) van deze bacteriën (zie figuur 2).

grafiek zilver 2

In een vergelijkbare studie maar met Escheria coli (zie figuur 3) ziet men hetzelfde patroon. Is een snellere vrijzetting van zilver kationen een beter verband voor

grafiek zilver 3

gekoloniseerde of geïnfecteerde wonden ? Maakt de snellere vrijzetting klinisch een verschil uit, vooral wanneer men weet dat wondverbanden niet om de 15 minuten, maar meestal om de 24 of 48 uur vervangen worden ?    Biofilms Biofilms kunnen een significant negatief impact hebben op de effectiviteit van antibacteriële middelen. Door deze in de natuur voorkomende fenomenen is het precies zo moeilijk om in vitro data te vertalen naar de werkelijkheid van de chronische wonde. Biofilms verwijzen naar de drie dimensionale associatie van diverse soorten bacteriën die leven in een beschermende extracellulaire polysaccharide matrix  (glyco calix) dit in tegenstelling tot vrij levende bacteriën die ook planktonische bacteriën worden genoemd. 21 Een manier om biofilms voor te stellen is door ze voor te stellen als fruit in een laag gelatine, waarbij het fruit de bacteriën voorstelt, en de gelatine de polysaccharide matrix (beschermende cocon). In een biofilm kunnen schimmels en bacteriën van diverse soorten zitten zoals Gram positieve, Gram negatieve, anaërobe, en aërobe. Kanalen of poriën in de polysaccharide matrix laten toe dat het nodige voedsel tot bij de bacteriën kan komen en laten ook communicatie (chemisch) toe tussen de verschillende micro-organismen. Bacteriën in biofilms zijn minder vatbaar voor antimicrobiële therapieën dan planktonische bacteriën precies door de beschermende polysaccharide matrix. 22 Dit toont aan dat in vitro testen doorsnee niet geschikt zijn om het effect van verbandtherapieën  in een reële situatie (bv een chronische wonde met biofilms) na te gaan en te vergelijken. Mertz & Davis hebben een varkensmodel gemaakt voor de studie van biofilms en het effect van diverse agentia op biofilms versus planktonische bacteriën. 23 In een recente studie werd het model gebruikt om het effect van twee zilver bevattende verbanden (een hydrocolloid en een nano kristallijn gecoat verband) uit te testen op zowel planktonische P. aeruginosa als op biofilms van P. aeruginosa in tweede graads brandwonden en dit te vergelijken met onbehandelde controle wonden. 24 De zilver hydrocolloiden reduceerden de plaktonisch bacteriën met ongeveer een log 2 reductie op tijdstip 24, 48 en 72 uur vergeleken met de onbehandelde controle wonden. Het nano krystalijn gecoate verband reduceerde de planktonische bacteriën slechts een beetje bij 24 & 48 uur contacttijd, en helemaal niet bij 72 uur contact (Zie figuur 4).

grafiek zilver 4

Wanneer men keek naar de effecten van deze verbanden op wonden bedekt met een biofilm werd er slechts een beperkt tot zelfs helemaal geen effect aangetoond in vergelijking met de onbehandelde controle groep en dit op ieder tijdstip (zie figuur 5).

grafiek zilver 5

Het ziet er naar uit dat bacteriën in een biofilm een bescherming hebben tegen de zilver kationen die vrijgegeven worden door de beide verbanden. Dit is waarschijnlijk te verklaren doordat het vrij zilver zich bindt aan de eiwitten van de biofilm, maar niet of onvoldoende kan penetreren in de biofilm om zich te binden aan de bacteriën zelf.  

Neveneffecten van zilververbanden

Als aanvulling op de potentieel toxische effecten van zilver kationen op de lichaamseigen cellen dient men ook te kijken naar de mogelijkheid of bacteriën een resistentie kunnen ontwikkelen tegen zilver kationen. Resistentie tegen antiseptica is zeldzaam, maar niet onmogelijk. Hoewel zilververbanden nog niet zo lang op de markt zijn is er reeds een jarenlange ervaring met het gebruik van zilver en dit vooral op brandwonden (Flammazine ®). In de literatuur zijn er rapporten beschikbaar van bacteriën die resistent zijn aan zilversulfadiazine en zilvernitraat.

25 - 28 Alhoewel tot heden nog niets in de literatuur is verschenen over bacteriële resistentie bij het gebruik van zilververbanden, hebben Canadese onderzoekers reeds een aan nanokrystalijn zilver resistente Pseudomonas groep gevonden. 29 Het moet echter wel gezegd dat het mechanisme van zilver restistentie zich niet echt snel binnen de bacteriële populatie verspreid. Het blijkt zelfs dat deze zilverresistente bacteriën na enkele groeicycli terug gevoelig zijn aan zilver. 30   

Conclusie

Zijn er verschillende vormen van zilver? Ja en Nee. In feite is er slechts één element gekend als zilver, maar het kan onder diverse verbindingen worden aangeboden. Uiteindelijk is het alleen het zilverkation dat in de wondverbanden als antibacterieel kan worden beschouwd. Een grotere hoeveelheid zilver aanwezig in het verband zal niet noodzakelijk een beter klinisch resultaat opleveren. Uit in vivo onderzoek blijkt dan weer dat zilver verbanden snel werken op planktonische bacteriën, maar niet op biofilms. Daarom kunnen we besluiten dat zilververbanden waardevolle verbanden zijn, maar dat ze met de nodige omzichtigheid moeten worden gebruikt. Deze verbanden zijn immers zeer duur en het is niet noodzakelijk om een 99,99% doding van bacteriën te bekomen in een wonde. Het is duidelijk dat hoewel chronische wonden gekoloniseerd met bacteriën genezen, het toch belangrijk is om het aantal bacteriën in de wond onder controle te houden. Zilververbanden zijn dus geen wondermiddelen en men zal steeds de voordelen moeten afwegen tegen de nadelen. Met andere woorden zilververbanden zijn een wapen tegen bacteriële kolonisatie net als de andere middelen.   

 

terug naar boven

gesponsord door: © Lohmann & Rauscher 2013

Top Desktop version